Houtproductie

1. GROEI

2. HOUTMARKT

3. FINANCIEN

4. EIGENSCHAPPEN

5. VEZELPLAAT EN GECERTIFICEER HOUT



1 Groei en houtopbrengst

Om de groei van een opstand te kunnen beoordelen, zijn jarenlange groei- en opbrengstgegevens van proefvelden zijn nodig, die dan als maatstaf kunnen dienen. Maar ook kunnen ze gebruikt worden als basis voor de bedrijfseconomische planning. De eigenschappen van de groeiplaats, (zoals bodemvruchtbaarheid, waterhuishouding en klimaat), de eigenschappen van de gebruikte klonen, de zorg die aan de beplanting is besteed (zoals bodembewerking, bemesting en onkruidbestrijding) en het al of niet optreden van ziekten en plagen of abnormale weersomstandigheden, bepalen gezamenlijk welke groei mogelijk is. De gemiddelde hoogte van populierenbeplanting kan dus sterk uiteenlopen. In Nederland ligt de bovengrens bij ongeveer 40 m. De gemiddelde boomhoogte bij de verschillende leeftijden kan worden ingedeeld in een aantal niveau's: men spreekt dan van boniteiten of S-waarden. De S-waarde (in het Engels: Site-index) is de maximaal bereikbare hoogte ongeacht de leeftijd.



Als van een bepaalde beplanting de leeftijd en de gemiddelde hoogte bekend zijn (opgemeten), dan kan men de boniteitsgrafiek als maatstaf nemen ter beoordeling van de groei. Uit de grafiek kun je dan aflezen in welke boniteit de opstand gerangschikt wordt. Het gebruik van de boniteitsgrafiek voor een voorspelling van de toekomstige groei, kan alleen maar bij benadering juist zijn. Doordat er zoveel factoren in het spel zijn die de groei bepalen, kunnen zich belangrijke afwijkingen voordoen ten opzichte van de gemiddelde waarden.
Er is nog een voorbehoud: boniteitsgrafieken zijn gebaseerd op het gemiddelde groeiniveau van proefvelden die soms tientallen jaren lang zijn opgemeten. Destijds maakte men gebruik van traditionele klonen die nu "ouderwets" zijn en veelal plaats hebben gemaakt voor nieuwe, sneller groeiende klonen. Dit betekent dat men wellicht een hogere S-curve moet nemen dan die van 32, die gemiddeld voor de traditionele handelsklonen geldt. Echter: voorzichtigheid is hier geboden. Het is beter iets conservatiever in te schatten dan je rijk te rekenen.

De dikte van een boom wordt gewoonlijk gemeten op borsthoogte: op 1,3 m boven de grond. Naar mate een boom ouder wordt, neemt zijn dikte (diameter) toe. Maar ook zijn hoogte neemt toe. Er is dus een samenhang tussen de lengtegroei en diktegroei van een boom. Uit onderzoek is gebleken dat het verband tussen de gemiddelde diameter en de gemiddelde hoogte nauwelijks afhankelijk is van de eigenschappen van de bodem. Voor de diktegroei is de groeiruimte van de bomen een veel doorslaggevender factor. De behoefte aan ruimte en aan licht verschilt van kloon tot kloon. Het wegnemen van levende zijtakken (door snoei) en dunningsingrepen kunnen verschillend uitwerken naar gelang de ingreep vroeg of laat, of sterk of zwak is geweest. Tenslotte kan ook door extreme weersomstandigheden of door het optreden van ziekten en plagen het normale groeiverloop beïnvloed zijn. Als er een dunning wordt uitgevoerd, dan ontstaat een geheel nieuwe situatie, waarin de bomen zich gaan aanpassen aan de ruimere stand. De mate waarin dit gebeurt, is afhankelijk van de vitaliteit (groeikracht) van de bomen. Al met al is het erg lastig om de diktegroei van populieren op een zelfde wijze in te delen in klassen als de hoogtegroei. De gemiddelde waarden geven wel enige indicatie, maar in de praktijk kunnen grote afwijkingen voorkomen.

De houtopbrengst is de hoeveelheid hout die een boom na verloop van tijd kan opleveren. Dit wordt meestal uitgedrukt in m3 of in het gewicht in tonnen. Het zogenaamde spilhoutvolume heeft betrekking op het volume van de stam tot aan de uiterste top. Bij de oogst laat men echter het topje van de boom achter. Het volume van de afgetopte stam noemt men het werkhoutvolume. Afhankelijk bij welke dikte men het topje afzaagt, is het geoogste werkhoutvolume zo'n 10-15% minder dan van het spilhout.

Er bestaan opbrengsttabellen die een schatting geven wat een gemiddelde populier opbrengt, bijvoorbeeld na 20 jaar bij een plantafstand van 6 x 6 m. Bij de aanname van een gemiddelde S=40 (boniteit II) zien we uit de boniteitsgrafiek dat op leeftijd 20 jaar een hoogte van 28 meter hoort. Volgens de bijbehorende opbrengstabel (zie het voorbeeld hieronder) betekent dit dat de bomen dan een gemiddelde diameter hebben van 36 cm en een totaal volume aan spilhout van 298 m3/ha (159 m3/ha staande houtvoorraad + 139 m3/ha uit de eerste dunning op leeftijd 18 jaar). De gemiddelde bijgroei is dan 14,3 m3/ha/jr. Zo'n tabel geldt voor een bepaalde plantafstand, een bepaald dunningsregime , voor een bepaalde kloon, in een bepaald gebied. En dan nog alleen voor leegkapbos (wat bij populier overigens meestal het geval zal zijn). De uitkomsten kunnen daarom niet anders zijn dan indicatief.


h= gemiddelde boomhoogte; N=stamtal/ha; G=grondvlak; dg= gemiddelde diameter van opstandsmiddenboom;  V=staande houtvoorraad/ha; Ic = lopende bijgroei; Im= gemiddelde bijgroei; t= leeftijd.

2 Houtmarkt


Nederland

In Nederland wordt de rondhoutmarkt onderzocht door Stichting Bos en Hout (SBH). Hiervoor voert SBH jaarlijks een enquête uit onder alle rondhoutverwerkende bedrijven en worden de import- en exportstatistieken van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) geïnterpreteerd. Hierdoor is het mogelijk om een beeld te schetsen van de oogst, verwerking, import, export en consumptie van populieren rondhout in Nederland.

Populier is de belangrijkste boomsoort voor de Nederlandse rondhoutverwerkende industrie. In 2000 was 27% van al het in Nederland verwerkte rondhout populier (288.000 m3). Hiervan kwam iets meer dan de helft uit het Nederlandse bos, de rest werd geïmporteerd. Populierenhout wordt in Nederland voornamelijk gebruikt als grondstof voor de emballage-industrie, de kartonindustrie en klompenproductie (tabel 1). Het verbruik van populierenhout door de vezelindustrie stijgt gestaag. Gezien het beperkte aanbod van inlands populierenhout heeft men besloten om meer hout uit het buitenland te betrekken om in Nederland geen prijsopdrijvend effect te genereren. Nederland heeft geen fineerbedrijven die populier verwerken. De klompensector kocht zijn populieren- en wilgenhout van oorsprong vlak bij huis. De oogst en het transport werden over het algemeen in eigen beheer uitgevoerd. Nu wordt steeds meer populierenhout bij handelaren ingekocht. Houthandelaren zijn eerder geneigd om ook hout in het buitenland te kopen. Zeker gezien het beperkte aanbod van goede kwaliteit populieren- en wilgenhout (takvrij, grote afmetingen, geen wormgaten, geen verkleuringen, niet te taps). Klompenmakers hebben een voorkeur voor opgesnoeide bosbomen. Sinds kort wordt populierenhout ook verwerkt door Plato, die de duurzaamheid en dimensiestabiliteit verbetert door een thermische behandeling. De toekomstige vraag naar populierenhout door de Nederlandse houtverwerkende industrie is moeilijk in te schatten, maar de grote bedrijven zijn over het algemeen van mening dat hun verbruik eerder zal stijgen dan dalen. Kleinere bedrijven zijn over het algemeen minder optimistisch. De algemene trend in Nederland is dat veel kleine bedrijven stoppen. De export van populierenhout was in 2000 ongeveer 46.000 m3 werkhout met schors. Meer dan de helft hiervan was vezelhout (55%). De rest was zaaghout (28%) en een geringer deel fineer (17%).

Tabel 1

Verwerking van populierenhout per sortiment in 2000 (1.000 m3 werkhout met schors)

Zagerijhout

175

Vezelhout

89

Klompenhout

24

Totaal

288


Figuur 1
Nederlandse verwerking van rondhout per boomsoort en herkomst (excl. brandhout) - 2000


Economie en werkgelegenheid
De populier levert werkgelegenheid in de volgende schakels:
  • Kwekerijen
  • Aanleg
  • Beheer
  • Exploitatie
  • Transport
  • Rondhouthandel
  • Rondhoutverwerking
  • Secundaire houtverwerking
  • Producthandel
Naar schatting levert populier in de hele keten gemiddeld 1 arbeidsplaats per 200 m3 rondhout op. De totale verwerking van populier in Nederland in 2000 was 288.000 m3. In totaal levert de populier dus ongeveer 1440 arbeidsplaatsen op. De totale omzet in de populierenhoutketen is niet bekend. De omzet van in de hele Nederlandse bos- en houtsector die direct gerelateerd is aan de oogst en verwerking van inlands hout, wordt geschat op circa 1 miljard gulden. Populier uit eigen land zou dan goed zijn voor een omzet van ongeveer 300 miljoen gulden.

Toekomstige beschikbaarheid populierenhout
Met een aantal aannames is in te schatten welke hoeveelheden populierenhout er van de verschillende rassen in de toekomst op de markt zal komen. Aangezien er meerdere aannames zijn gedaan, zijn de resultaten slechts indicatief. Met name het moment waarop het hout op de markt komt, is erg onzeker, omdat de omlopen sterk variëren en er soms gedund wordt. Een algemene trend kan op deze manier echter wel goed zichtbaar worden gemaakt. De volgende veronderstellingen zijn gedaan om de toekomstige beschikbaarheid van populierenhout in Nederland in te schatten:
  1. De beschikbaarheid van populierenhout is berekend op basis van geleverd stekmateriaal door de NAKB. Het seizoen waarin het stekmateriaal geleverd is (vb 89/90) wil zeggen dat de stekken in de winter van 89/90 geknipt zijn en vervolgens in maart 1990 door een boomkweker gestoken zijn om te worden opgekweekt tot éénjarig beworteld plantsoen. In het voorjaar van 1991 is het éénjarig bewortelde plantsoen dan ergens uitgeplant in Nederland. De feitelijke aanplant vindt dus 1 jaar later plaats dan de stekleveranties.
  2. Van de, door de NAKB geleverde populierenstekken, zullen er in werkelijkheid minder aangeplant zijn, omdat de boomkwekers in de regel (iets) meer stekken bestellen dan ze daadwerkelijk verkopen. De veronderstelling is dat 5% van het oorspronkelijke aantal stekken wordt vernietigd. Daarnaast is er gerekend met 5% uitval op de kwekerij. Het aantal beworteld éénjarig plantsoen dat daadwerkelijk aan boseigenaren is verkocht ligt dus 10% lager dan de door de NAKB geleverde stekaantallen.
  3. De uitval na aanplant in het bos of landschappelijke beplanting bedraagt 5%.
  4. Bij het bepalen van het gemiddelde volume van een boom is uitgegaan van de opbrengsttabellen voor populier. Bij een omloop van 20 jaar, een plantverband van 4x4 meter en boniteit IV heeft een populierenboom een spilhoutvolume van ongeveer 0,6 m3 (383 m3/ha). Het oogstbare werkhoutvolume is dan 0,55 m3/ha met schors.

Figuur 2 geeft een overzicht van de jaarlijkse beschikbaarheid van populierenhout in de komende 20 jaar (in m3 werkhout met schors). Hierbij is onderscheid gemaakt tussen rassen die voornamelijk voor landschappelijke beplantingen worden gebruikt en productierassen. Het huidige beschikbaarheid van populierenhout (260.000 m3 per jaar) zal de komende 5 jaar teruglopen tot gemiddeld 225.000 m3 per jaar. De beschikbaarheid stijgt dan tot 2015 (gemiddeld 370.000 m3 per jaar). Daarna daalt de beschikbaarheid aanzienlijk, met een dieptepunt in 2019 met 63.000 m3.

Figuur 2
Jaarlijkse beschikbaarheid van populierenhout in de periode tot 2018 (in m3 werkhout met schors).




Niet alleen in de hoeveelheid populierenhout maar ook in de soortensamenstelling van het aanbod zullen verschuivingen optreden. De toekomstige beschikbaarheid van de belangrijkste soorten is weergegeven in figuur 2.3. Het aanbod van "ouderwetse" rassen zal afnemen. Het aanbod van Flevo, Oxford, Androscoggin, Geneva en Gelrica neemt af van 28% naar 14% in 2010 en zal rond 1015 vrijwel verdwenen zijn. Het aandeel Robusta blijft min of meer constant (variërend van 26-45%).
Zwarte populieren (Populus nigra) spelen in het huidige aanbod van populierenhout nog nauwelijks een rol van betekenis (4%), maar zullen de komende 10 jaar zo'n 15% van het aanbod gaan uitmaken. In de periode 2010-2014 verdwijnen ze echter weer vrijwel uit het sortiment. Gemiddeld is driekwart van het jaarlijkse populierenaanbod in Nederland terug te voeren op 8 verschillende rassen.

Figuur 3
Jaarlijkse beschikbaarheid van Robusta, Zeeland, Spijk en Florence Biondi in de komende tot 2018 (in m3 werkhout met schors).



Vlaanderen


De grondstof populierenhout wordt toegepast in zeer diverse takken van de houtkolom. Samen zijn al deze bedrijven goed voor de verwerking van bijna 560.000 m³ ruw materiaal. De fineersector schilt populier met het oog op multiplexproductie (42.000 m³/jaar eindproduct). Fineer wordt ook gebruikt voor de opstaande boorden van fruitkistjes of de vervaardiging van ander verpakkingsmateriaal. Daarnaast zorgt de verwerking binnen de zaaghoutindustrie in Vlaanderen voor een belangrijke productie van laadborden (125.000 m³/jaar eindproduct). De grootste verwerker van populier op dit ogenblik is de papierindustrie met 43% van het beschikbare hout. Deze industrietak gebruikt net als de plaatsector ook een groot deel resthout uit de fineer- en zaaghoutsector.
Het belang en de sterkte van deze markt van populierenproducten bewijst een exportcijfer van 38%. Hierbij moet benadrukt worden dat de verworven knowhow binnen de markt van de verwerking van populier belangrijk is voor de positie van de (voornamelijk) Vlaamse bedrijven.

Toekomstige beschikbaarheid van populierenhout Uit de bosinventaris blijkt dat de toekomstige bevoorrading van populierenhout van de verwerkende industrie in het gedrang komt. Immers uit de verdeling naar omtrekklasse blijkt dat jongere populierenbestanden (met een kleinere omtrek) duidelijk ondervertegenwoordigd zijn. Hieruit volgt dat toekomstige bevoorrading van de populierverwerkende industrie vanuit België (330.000 m³), waarvan het belangrijkste deel uit Vlaanderen komt, duidelijk in het gedrang komt. Als eenmaal de omtrekklasse 120-150 en 150-180 cm is uitgeput, dreigt de bevoorrading vanuit Vlaanderen terug te vallen op minder dan 50 % van het huidig peil. Momenteel wordt trouwens reeds 230.000 m3 uit het buitenland aangevoerd.

3 Financiële resultaten


De bosbedrijfseconomie heeft te maken met een lange periode van tientallen jaren, die ligt tussen het moment van aanleg en de kap van een beplanting. Het is vrijwel ondoenlijk om reeds bij de aanleg vast te stellen wat de beheerskosten en de houtopbrengst later zullen zijn. Bovendien kan over zo'n lange periode de hoogte van de werkelijke rente en van de inflatie sterk variëren. Bij het berekenen van de financiële resultaten zal men dus moeten uitgaan van min of meer fictieve beheerskosten en opbrengstcijfers, die zijn herleid tot de situatie van nu op dit moment. Om een idee te krijgen van het rendement van een investering in een beplanting die nog niet is aangelegd, wordt meestal gebruik gemaakt van een model, dus van een denkbeeldige beplanting waarvoor van te voren vastgestelde omstandigheden en normen gelden. Van zo'n modelbos kan het saldo (opbrengsten minus kosten) aan het eind van de omloop worden berekend, uitgaande van een bepaalde rentevoet. En daar zit nu juist de moeilijkheid: welke rentevoet is reëel? De veronderstelde hoogte van de rentevoet bepaalt in belangrijke mate de uitkomst van de rendementsberekeningen. Daarom is het vaststellen van de interne rentevoet eigenlijk een betere methode. Daarmee wordt bedoeld het rentepercentage waarmee alle kosten tot het eind van de omloop moeten worden contant gemaakt om deze gelijk te maken aan de totale opbrengst (inclusief de tussentijdse dunningsopbrengsten). Boseigenaren zijn echter niet zo vertrouwd met het denken in interne rentevoeten. Zij kunnen zich over het algemeen meer voorstellen bij een saldoberekening. Daarbij moet worden opgemerkt dat de in de toekomst te verkrijgen opbrengst in Euro's een heel andere koopkracht heeft dan Euro's anno 2002. Voor dit soort investeringsbeslissingen in nieuwe bosaanleg dient eigenlijk een saldo netto contante waarde per jaar te worden berekend volgens de annuïteitenmethode. Dat voert hier echter te ver.

Van een "echt" bos zal van geval tot geval een aparte berekening moeten worden gemaakt, omdat het rendement o.a. afhankelijk is van het gebruikte populierenkloon, het gebruikte plantsoen (1-of 2jarig), de plantafstand, het tijdstip van een eventuele dunning, de ligging van de beplanting, de kwaliteit van de bodem, de prijs op stam, enzovoorts. Tabel 2 geeft een indicatie (en ook niet meer dan dat) van de kosten van aanleg en onderhoud bij een plantafstand van 5 x 5 m (= 400 bomen/ha).

Tabel 2
Kosten van de aanleg en onderhoud van populierenbossen (plantafstand 5 x 5 m)

Kostenfactor

Manuren1

Machine-uren2

Materiaalkosten

Totale kosten ¤

Inkuilen

3

-

 

73

Uitzetten en boren plantgaten

7

7

 

248

Planten

13

-

365

677

Onkruidbestrijding plantspiegels3

8

-

68

260

Stikstofbemesting plantspiegels3

8

 

114

306

Snoeien 0-2 m

7

   

168

Snoeien 2-4 m

17

   

408

Snoeien 4-6 m

37

   

888

Totaal

100

7

547

3028

1 Manuur = ¤ 24,-/uur. 2 Trekker met boor: ¤ 11,5/uur 3 Gedurende de eerste twee jaar

Populierenbossen met een plantafstand van 5 x 5 m kunnen bij een relatief korte omloop van 20-25 jaar licht zaaghout produceren, mits er wordt opgesnoeid. Zonder snoei is het sortiment voornamelijk vezelhout, met een lager prijskaartje. Wijd geplante opstanden (7 x 7 m) en rijbeplantingen (plantafstand 5 m en meer) zullen bij een omloop van 25-35 jaar zelden een dunning nodig hebben.

Opbrengsten
De totale opbrengst wordt voornamelijk bepaald door het geproduceerde volume aan werkhout en de houtprijs per m3 of per ton, meestal uitgedrukt als prijs op stam. De prijs op stam is onder meer afhankelijk van de omvang van de partij hout, van de verwerkingsmogelijkheid (dus de kwaliteit en het sortiment), van de verwachte oogstkosten en van de afstand tussen het bos en de plaats van verwerking. De houtopbrengst is in Nederland vrijgesteld van inkomsten- en vennootschapsbelasting.

Vroegere saldoberekeningen (daterend van 1975) voor een modelbos met een omloop van 15 jaar, een houtprijs van f 30,- per m3 op stam en een rentevoet van 3,5% lieten zien dat er een positief resultaat mogelijk is indien de gemiddelde aanwas minstens 10 m3 per ha per jaar bedraagt (hierbij is overigens geen vergoeding van de grond ingecalculeerd). Bij een omloop van 35 jaar en een houtprijs van f 90,- per m3 op stam voor stamstukken met een aftopdiameter van 40 cm; van f 60,- per m3 voor stammen met een aftopdiamter van 30 cm en f 30,-/m3 voor het resterende vezelhout, werd bij een gehanteerde rentevoet van 3,5 % een positief resultaat behaald bij een gemiddelde aanwas van 7,5 m3/ha/jaar (dwz. gemiddeld over die 30-35 jaar). Opvallend is dat de rentabiliteit kan worden verbeterd door een opstand enkele jaren langer te laten staan. Dit is het gevolg van het feit dat juist in die periode er sprake is van een hoge waardeaanwas. De gehanteerde prijzen op stam zijn sinds 1975 nauwelijks verandert, terwijl de kosten van aanleg en beheer wel aanzienlijk zijn gestegen. Tegenwoordig (anno 2002) zou het saldo dan ook een stuk minder gunstig uitpakken. In feite kun je stellen dat de populierenteelt tegenwoordig niet meer rendeert (je moet geld bijleggen).

Houtprijzen
Het noemen van concrete houtprijzen is altijd riskant omdat die nogal sterk kunnen fluctueren. Hoe zwaarder de bomen zijn, hoe beter ze zijn onderhouden en opgesnoeid, hoe groter de partij hout, hoe gemakkelijker het terrein is en hoe beter ontsloten het bos, des te lager zijn de oogst- en opwerkingskosten en des te meer zal de houthandelaar bereid zijn te betalen voor het hout op stam. In het algemeen zijn de prijzen voor fineerhout en klompenhout op stam (iets) hoger dan die voor papier- en vezelhout. Dit komt door verschillen in eisen aan de kwaliteit en afmetingen en door verschillen in oogstkosten. Fineerderijen en klompenmakers vragen in het algemeen zwaarder hout, dat per m3 lagere oogstkosten heeft. De prijs franco fabriek is mede afhankelijk van de prijzen die door concurrenten (ook in het buitenland) voor vergelijkbare sortimenten wordt betaald. De gemiddelde prijs die door Nederlandse bedrijven in 2000 (franco fabriek) werden betaald voor populierenzaaghout was fl.82,- en voor papierhout fl.92,-. (37 euro en 42 euro respectievelijk).

4 Eigenschappen van populierenhout


Samenvatting

Herkomst
P.-tremula: Europa, Azie.
P.-tremuloïdes: Amerika, Canada (aspen, espen, ratel- en trilpopulier).
P.-alba.: Europa, Azie, N.-Afrika (witte abeel, abeel, zilverabeel).
P.-deltoides: O.-Canada, N.-Amerika (cottonwood, populier).
P.-serotina Europa, Amerika.
P.-Nigra Europa, Azie (peppelen, zwarte populier).

Handelsnamen
Esp, Populier, Abeel (Ned., Belg.); Aspen, Poplar (Eng.); Peuplier (Fr.); Pappel, Asp, Espe (Duits.).

Kenmerken
Kleur: kern grijsachtig wit, lichtgeel tot wit.
spint: weinig verschil met kern.
Groeiringen: duidelijk maar met opvallend.
Nerf: fijn en dicht.
Draadverloop: recht.
Tekeningen: weinig of geen.
Glans: gering.
Branden: moeilijk, geringe grijze as.

Eigenschappen
Volumegewicht: 0,43 bij 12% (0,43 tot 0,51).
Vers weegt 1 m3 ongeveer 880 kg,
Mechanische eigenschappen: matig sterk, zacht en voor zijn volumegewicht taai.
Buigsterkte: zwak.
Stijfheid: zeer zwak tot zeer laag.
Schokweerstand: laag tot zeer laag.
Druksterkte: zwak.
Hardheid: overlangs zeer zwak. kops: zwak.
Vezelverzadigingspunt aan de lucht: 33%.
Krimp:

van nat tot droog

absoluut droog

tang. 5,5%

8,0%

rad. 2,0%

2,8%

Stabiliteit: matig stabiel.
Duurzaamheid: weinig duurzaam; klasse V.
Geschiktheid tot drenken: doordringbaar.

Bewerking
Wanneer het goed gedroogd is scheurt het niet veel en werkt het weinig. Laat zich geed verwerken, schroeven en spijkeren.
Kan soms stug zijn bij het zagen. Helemaal zuiver schaven is moeilijk daar het hout wollig is.

Toepassingen
Wordt gebruikt voor lucifers, klompen, blindhout, blokplaat, triplex, fineer, tekenborden, keukengerief, speelgoed, tandenstokers, kistenhout, houtwol, papierhout, carrosseriebouw en allerlei andere doeleinden.

Anatomische eigenschappen
Populierenhout heeft een vrij regelmatige structuur. Het kernhout is meestal niet gemakkelijk van het spinhout te onderscheiden (vooral bij het droge hout is dit lastig). De kleur is wit tot grijsachtig, in sommige gevallen meer geelbruin.De structuur van het zachte hout is fijnnervig zonder opvallende jaarringen. Vaak komt een grote hoeveelheid hout voor met een zeer afwijkende structuur: het zogenaamde “trekhout”.
De aanwezigheid van trekhout bij populieren is van grote invloed op de kwaliteit van het hout en op de industriële verwerking hiervan. Onder trekhout – dat in loofhout voorkomt – wordt in het algemeen een gedeelte van het hout verstaan, waarin tegen of in de houtvezelwand een laag is afgezet van andere samenstelling dan een normale houtvezelwand. Deze laag is meer gelatineus en met de microscoop gemakkelijk van de andere lagen te onderscheiden. Terwijl bij 'normaal' hout de primaire wand en de lagen van de secundaire wand veel lignine bevatten, is bij trekhout tegen de secundaire wand een laag zuivere cellulose afgezet. Door de afzetting van een extra celluloselaag tegen de secundaire wanden is de volumedichtheid van trekhout meestal hoger dan van normaal hout. Een hoge volumedichtheid kan derhalve een aanwijzing zijn voor de aanwezigheid van een grotere hoeveelheid trekhout.

Wanneer een loofboom tijdens zijn groei in een schuine of gebogen stand komt te staan (bijvoorbeeld door winddruk, door het staan op een helling, of door eenzijdige belichting), zal hij aan de buitenzijde van de kromming trekhout vormen teneinde zich te behoeden tegen breken tengevolge van doorbuiging door knik. Trekhout is dus in de eerste plaats een reactie op invloeden van buitenaf; de vorming heeft alleen plaats in het levende hout. Wanneer de groeiomstandigheden zodanig zijn gewijzigd dat de trekhoutvorming op een bepaalde plaats niet meer nodig is, wordt weer normaal hout gevormd. Het optreden van trekhout gaat vaak samen met een excentrische bouw van de stam, waarbij dus het hart buiten het midden ligt. Het ontstaan van trekhout in een boom kan alleen worden voorkomen door de omstandigheden zo te kiezen dat van jongs af aan rechte stammen worden gevormd, waarbij de kruin zoveel mogelijk aan alle kanten evenveel licht ontvangt.

Bij zagen in de lengterichting, bij schillen of schaven van trekhout treden bepaalde wollige, harige of ruwe plekken op in het overigens gladde oppervlak. Bij de genoemde bewerkingen worden de taaie trekhoutvezels niet doorgesneden, doch geheel of gedeeltelijk uit hun verband gerukt, waarbij de binnenste wandlaag dikwijls naar buiten treedt, waardoor het ruige oppervlak wordt gevormd.
De abnormaal grote longitudinale krimp van trekhout veroorzaakt het optreden van scheuren in de vezelrichting tijdens het drogen van fineer en planken (in planken kan trekhout dikwijls ook scheluw-trekken veroorzaken). Waar immers vlak naast elkaar houtgedeelten voorkomen die een grote en die een zeer geringe krimp hebben, zullen bij het drogen spanningen ontstaan, die scheuren veroorzaken. Excentrische stammen, waarin meestal veel trekhout optreedt, zijn daarom voor de verwerking tot fineer en gezaagd hout minder geschikt. Ook voor de papierfabricage is de aanwezigheid van veel trekhout ongewenst. De celluloseopbrengst van trekhout is weliswaar aanmerkelijk hoger dan die van gewoon hout, maar de maalbaarheid van de trekhoutcellulose is echter zeer slecht. De scheurfactor van het papier, verkregen uit trekhout is zo slecht, dat trekhoutcellulose als een inferieure grondstof moet worden beschouwd.

Mechanische eigenschappen
De weerstand die het hout biedt aan uitwendige krachten die er op werken, noemt men zijn sterkte. Deze sterkte wordt voornamelijk bepaald door een aantal mechanische eigenschappen, waarvan de belangrijkste zijn:

  • Statische buiging
  • Treksterkte
  • Afschuifsterkte
  • Splijtweerstand
  • Weestand tegen schokbelasting (o.a. ter beoordeling van de taaiheid of brosheid)
  • Weerstand tegen afslijting
  • Hardheid
Afhankelijk van de richting waarin ze op het hout inwerken – evenwijdig aan of loodrecht op de vezel, radiaal, tangentiaal of kops – kan de waarde van de meeste sterkte-eigenschappen zeer verschillend zijn. De verschillende houteigenschappen zijn internationaal vastgesteld door het I.S.O. (International Organization for Standardization). Hout is een natuurproduct dat onder de meest uiteenlopende omstandigheden kan groeien. Hierdoor treedt er een vrij grote variatie op in de sterkte-eigenschappen, niet alleen binnen een enkele stam, maar ook tussen de stammen van een zelfde houtsoort. Omdat het voor de meeste doeleinden in de prakrijk niet mogelijk is van foutvrij hout uit te gaan, zijn er reductiefactoren vastgesteld om de invloed van kwasten en andere houtgebreken, van vochtgehalte e.d. in rekening te brengen.

Fysische eigenschappen
De fysische eigenschappen van hout zijn van grote betekenis voor het gebruik ervan; vaak zijn ze zelfs belangrijker dan de mechanische eigenschappen. Tot de fysische kenmerken worden o.a. gerekend:
  • Vochtgehalte
  • Volumieke massa
  • Dichtheidsgetal
  • Evenwichtsvochtgehalte bij verschilleden relatieve vochtigheid (R.V.) van de lucht
  • Zwellen en krimpen
  • “Werken” van eenmaal gedroogd hout
Vochtgehalte
Het vochtgehalte is van grote invloed op de mechanische eigenschappen van hout. Naarmate het hout droger wordt, neemt de sterkte toe en omgekeerd. Vers gekapt hout, vooral van de lichtere houtsoorten, bevat veel vocht. Wanneer een pas gevelde stam aan de lucht blootgesteld blijft liggen, gaat hij vocht verliezen. Het eerst zal het water verdwijnen dat opgesloten is in de vaat-, vezel- en andere celholten: het zogenaamde occlusiewater. Daarna zal het hout bij verder uitdrogen ook het water verliezen dat zich in de wanden van de houtcellen in submicroscopische holten bevindt.
Het vezelverzadigingspunt ligt bij de meeste Europese houtsoorten in de buurt van 30%. Zolang het vochtgehalte niet beneden het vezelverzadigingspunt komt, treedt geen verandering op in de sterkte-eigenschappen van het hout. Het is de sterkte van het hout in groene of natte toestand. Zodra het vochtgehalte echter beneden het vezelverzadigingspunt komt, neemt de sterkte van het hout toe en wel des te meer naarmate het vochtgehalte verder daalt. De mate waarin de sterkte verandert onder de invloed van het vochtgehalte, is afhankelijk van de houtsoort. Een sterktecijfer heeft derhalve alleen betekenis als men ook het vochtgehalte van het betreffende hout tijdens de bepaling weet.

Volumieke massa
De volumieke massa wordt gewoonlijk opgegeven bij een houtvochtgehalte van 12% van het drooggewicht. Er bestaat een duidelijk verband tussen de volumieke massa en de sterkte van het hout.

Dichtheidsgetal
Voor hout is het dichtheidsgetal een belangrijk gegeven omdat deze een grote invloed heeft op een aantal mechanische eigenschappen. Hout met een hoger dichtheidsgetal heeft in het algemeen een grotere sterkte.

Evenwichtsvochtgehalte
Pas geveld hout zal door vochtverlies uitdrogen. Dit vochtverlies zet zich voort tot het vezelverzadigingspunt is bereikt, mits het houtniet in aanraking komt met water. Nadat het vezelverzadigingspunt is bereikt treedt verdere daling van het vochtgehalte in het hout op tot het in evenwicht is gekomen met de relatieve vochtigheid van de omringende lucht. Zodra deze relatieve vochtigheid verandert zal ook het evenwichtsvochtgehalte zich wijzigen. In de buitenlucht treden deze veranderingen voortdurend op evenals in onverwarmde ruimten. Bij ruimten met centrale verwarming of met luchtconditionering zullen slechts geringe schommelingen plaats hebben.

Zwellen en krimpen
Nadat het vezelverzadigingspunt is bereikt, gaat het hout krimpen. Hoe groter het vochtverlies, hoe sterker het krimpen als gevolg van het verlies van imbibitiewater uit de celwanden. In verband met de typische structurele opbouw van hout, waarbij de houtelementen naar verschillende richtingen georiënteerd zijn, is de mate van krimpen verschillend in de radiale, tangentiale en axiale richting. Gewoonlijk is de tangentiale krimp ongeveer tweemaal zo groot als de radiale, terwijl de axiale krimp zeer klein is en bij normaal hout zelfs te verwaarlozen. De grootte van de krimp is ook afhankelijk van de houtsoort.

Wanneer gedroogd hout water opneemt, treedt dit de celwanden binnen en bewerkstelligt een zwelling, die maximaal is bij het vezelverzadigingspunt. Bij voortdurende wisselingen van de relatieve vochtigheid van de omringende lucht zal hout dus voortdurend van afmetingen veranderen, en is dus dimensionaal niet stabiel. In de loop van het jaar zal de relatieve vochtigheid van de omringende lucht tussen bepaalde grenzen schommelen en het hout dus beurtelings zwellen en krimpen. Men spreekt dan van het ‘werken’, hetgeen bij bepaalde praktische houttoepassingen hinderlijk kan zijn. Daar echter bij snelle wisselingen in de relatieve vochtigheid de daarbij behorende evenwichtsvochtgehalten praktisch zelden worden bereikt, is ook het werken minder sterk en minder hinderlijk. Het op de juiste wijze drogen van hout tot het voor het beoogde doel het meest geschikte vochtgehalte kan veel narigheid voorkomen.

Onderzoek van de mechanische en fysische eigenschappen van populierenhout in Nederland
Het Houtinstituut TNO heeft zich, in samenwerking met de Nationale Populieren Commissie, reeds tientallen jaren bezig gehouden met het onderzoek van populierenhout, om het hout beter te leren kennen in verband met bepaalde problemen die de populierenhoutverwerkende industrieën hebben (de klompen-, papier- en schilindustrie). Sommige bedrijven hebben een voorkeur voor één of voor bepaalde populierrassen, terwijl deze zelfde rassen bij andere bedrijven minder in trek zijn. Vaak is het niet mogelijk de reden voor deze voor- of afkeur terug te vinden in de eigenschappen van het hout van de betreffende populieren. Volgens het oordeel van verschillende bedrijven bleek ook vaak dat de mechanische eigenschappen als zodanig van weinig belang zijn.

De houtdichtheid is niet alleen verschillend voor diverse populierenrassen, maar vertoont ook variatie tussen de verschillende bomen van een ras en zelfs binnen een enkele stam. Zo is er vaak een groot verschil tussen de het dichtheidsgetal van het hout aan de voet en aan de top van de stam, of binnen in de stam en aan de buitenzijde. Bovendien wordt het dichtheidsgetal door allerlei factoren van buitenaf beïnvloed, zoals bijvoorbeeld het bodemtype en de standplaats. Ook het krimpen van het hout is voor de praktijk een belangrijke fysische eigenschap. De grootte van de krimp is afhankelijk van de plaats in de stam.

Uit tabel 4 blijkt dat de eigenschappen van populierenhout zeer sterk overeenkomen met die van vurenhout (sparrenhout). Dit zou erop wijzen dat het voor dezelfde doeleinden zou kunnen worden gebruikt. Het is dan ook merkwaardig dat in Nederland populierenhout nauwelijks wordt gebruikt in de bouwsector als timmerhout, terwijl vurenhout daar zo'n belangrijke plaats inneemt. Verder onderzoek en goede voorlichting zouden het gebruik in deze richting kunnen stimuleren.

Juveniel hout
Juveniel hout is het hout dat in het jeugdstadium van de boom is gevormd. Het verschilt vrij sterk van het volgroeide hout. De belangrijkste kenmerken van juveniel hout zijn een lager dichtheidsgetal, minder goede sterkte-eigenschappen, een kortere vezellengte, een grotere lengtekrimp (die niet meer te verwaarlozen is) en een afwijkende chemische samenstelling vergeleken met het normale hout. Bij de beoordeling van de technische eigenschappen van jonge populieren moet hiermee rekening worden gehouden. De juveniel periode duurt circa 10 à 12 jaar (voor P. 'Gelrica').

Tabel 4

Vergelijking van de voornaamste eigenschappen van vuren- en populierenhout

Eigenschap

Vuren

Populieren

Volumegewicht droog (12%)

Krimping van nat tot absoluut droog in %

 radiaal

 tangentiaal

Evenwichtsvochtgehalte in % bij 90% R.V.

 60% R.V.

Werking van 90% R.V. tot 60% R.V. radiaal

 tangentiaal

Buigsterkte in kgf / cm²

Elasticiteitsmodulus in kgf/ cm²

Druksterkte // vezel in kgf / cm²

Schuifsterkte in kgf / cm²

Splijtsterkte in kgf / cm² radiaal

 tangentiaal

Janka hardheid in kgf kops

 overlangs

Schokweerstandsklasse

Duurzaamheidsklasse

0.40

3.7

8.0

21.0

12.0

0.9

2.1

700

90.000

370

81

45

56

330

200

V-IV

IV

0.43

2.8

8.0

22.5

12.0

1.4

2.3

700

95.000

370

79

46

59

340

230

IV-V

V


Chemische eigenschappen
De chemische samenstelling van populierenhout staat in tabel 4. De getallen geven grenswaarden aan voor verschillende klonen. Het relatief hoge cellulosegehalte is een gunstige factor voor de pulp- en papierindustrie.

Tabel 4

Chemische samenstelling van populierenhout

Cellulose

Pentosanen

Lignine

In water oplosbare stoffen

In aceton oplosbare stoffen

Acetyl

As

44.6 – 50.9 %

15.1 – 16.0 %

20.6 – 26.6 %

1.6 – 5.1 %

1.1 – 1.7 %

3.1 – 4.4 %

0.49 – 0.99 %


Verwerkbaarheid
Populierenhout geeft bij de verwerking in het algemeen weinig moeilijkheden. Het laat zich goed spijkeren en schroeven. Het is tamelijk goed te drogen en scheurt daarbij niet veel. Het werkt weinig, mits het goed droog is. De verwerkbaarheid wordt echter veel ongunstiger wanneer er trekhout aanwezig is.

Duurzaamheid
Ook de duurzaamheid bepaald de gebruikswaarde van een houtsoort. Hieronder verstaat men de weerstand van een houtsoort tegen allerlei vernielende invloeden, zoals schimmels en insecten. Omdat de weerstand tegen deze organismen voor het gebruiksdoel zeer belangrijk kan zijn, heeft men de houtsoorten in een aantal duurzaamheidklassen ingedeeld. Populierenhout behoort tot de weinig duurzame houtsoorten (klasse V). Het gevelde hout heeft vooral te lijden van de aantasting door schimmels. In Nederland is de aantasting door houtvernielende insecten van veel minder betekenis en zal daarom hier niet worden besproken.

Schimmelaantasting
De schimmels die het populierenhout na het kappen aantasten, zijn in twee groepen te verdelen:
  1. Houtrotverwekkende schimmels die de wanden van de houtcellen aangrijpen en daarmee de sterkte van het hout geheel of gedeeltelijk vernietigen. Voor doeleinden waar het op sterkte van het hout aankomt, is zulk aangetast hout onbruikbaar, evenals voor doeleinden waar sterke, gave houtvezels een eerste vereiste zijn.
  2. Schimmels die leven van de inhoudsstoffen van de houtcellen en zich veelal kenbaar maken door een opvallende verkleuring van het hout. De celwanden worden vrijwel niet aangetast, dus het hout behoudt zijn sterkte. De verkleuring is echter veelal ontoelaatbaar voor hout dat in blanke toestand moet worden verwerkt of voor toepassingen waarbij witte of ongekleurde vezels vereist zijn (bijvoorbeeld in de papierindustrie).
Houtrotverwekkende schimmels
Verreweg de meeste van de talrijke houtrotverwekkende schimmels behoren tot de hogere zwammen of basidiomycetes. Populierenhout heeft veel schimmelsoorten als belagers. Dit zijn o.a. Polyporus zonatus Fr., Stereum hirsutum (Wildd) Fr., Stereum purpureum Pers. en Pholita destruens. Veelal begint de aantasting met een verkleuring van het hout. In het hout ontwikkelen zich talrijke schimmeldraden die geleidelijk de celwanden vernielen. Tenslotte treden vruchtlichamen buiten het hout. Vruchtlichamen van Stereum purpureum worden dikwijls aangetroffen op de kopse vlakken van opgeslagen populieren. Stereum purpureum veroorzaakt een witte rot, waarbij zowel de lignine als de cellulose worden aangetast. De aantasting verloopt soms zeer snel, zodat veel hout verloren gaat.
Op gevelde populieren komt ook Pholita destruens voor. Deze zwam vormt vruchtlichamen op de kopse vlakken van hout. Zoals de naam reeds aangeeft, kan Pholita destruens een zeer vergaande aantasting van populierenhout veroorzaken. Op gevelde populieren wordt tevens Polystictus versicolor aangetroffen. Polystictus versicolor is een snelle aantaster en veroorzaakt een witte rot. Proeven met populierenhout gaven na 3 maanden in het laboratorium reeds een gewichtverlies van meer dan 50%.
Naast de genoemde, meest bekende zwammen treft men op populierenhout nog allerlei andere schimmels aan. Ze kunnen aanzienlijke schade aanrichten en het hout totaal onbruikbaar maken.

Schimmels die voornamelijk van de inhoudsstoffen van de houtcellen leven
Onder deze groep zijn de blauwschimmels de voornaamste; ze veroorzaken het zogenaamde “blauw” in het hout. Dit is een blauwachtige grijze verkleuring, die vooral bij naaldhout maar ook veel bij loofhoutsoorten wordt aangetroffen. Op of in populierenhout treft men blauwschimmelsoorten aan zoals Cladosporum herbarum, Alternaria species en Pullularia pullulans. In sommige gevallen is de ontwikkeling van deze schimmels zo sterk, dat het hout geheel dondergrijs tot zelfs zwart van kleur wordt. Dit is vaak te zien bij voorwerpen gemaakt van populierenfineer. Ze kunnen de waarde van het hout aanzienlijk verminderen. Voor veel doeleinden is verblauwd hout ongewenst en ontoelaatbaar.

Factoren van invloed op de schimmelontwikkeling
Bij het verwerken van populierenhout moet men dus zowel voor houtrotverwekkende als voor verblauwende schimmels maatregelen treffen om deze aantastingen te voorkomen. De voornaamste factor is het vochtgehalte van het hout. Dit kan zowel te hoog als te laag zijn voor schimmelgroei. In het algemeen kan worden gezegd dat er beneden en vochtgehalte van het hout van ongeveer 20% van het drooggewicht geen ontwikkeling van schimmels optreedt. Wanneer populierenhout dus onder zodanige omstandigheden verkeert, dat het vochtgehalte niet boven 20% kan stijgen is er geen gevaar voor aantasting. Bij een te hoog vochtgehalte kan evenmin schimmelontwikkeling optreden, omdat de voor de schimmelgroei benodigde zuurstof in met water verzadigd hout in onvoldoende mate aanwezig is of aangevuld wordt. Het hangt van de afmetingen en de aard van het hout af hoe hoog het vochtgehalte moet zijn om schimmelaantasting te voorkomen. Hout dat zich voortdurend onder water bevindt, wordt door schimmels nagenoeg niet aangetast; een geringe aantasting door bacteriën is dan wel mogelijk.
Men kan dus populierenhout goed onder water bewaren, hetgeen in de praktijk dikwijls wordt gedaan. Pas geveld populierenhout bevat nog zoveel vocht dat de schimmelgroei nog niet optimaal is; de omstandigheden hiervoor worden pas gunstig wanneer het hout gaat drogen. De periode tussen het vellen en het verwerken kan dus gevaarlijk zijn, zodat het gewenst is het hout zo snelmogelijk te verwerken.

Op opslagplaatsen van populierenhout kan door schimmels veel schade optreden. Bij niet ontschorste stammen treft men, wanneer ze in april of mei worden geveld, reeds in de herfst aantasting aan. Wanneer de bomen later in het voorjaar worden geveld, verschijnen de houtverwekkende schimmels pas in het tweede jaar na het vellen. Dunne stammen worden gemakkelijker aangetast dan dikke. Na een jaar opslaan heeft het rot nog betrekkelijk weinig invloed op de pulp-opbrengst. Na drie jaar opslaan komen verliezen voor van 5 a 10%. Voor geheel ontschorste stammen is de situatie gunstiger. Het spreekt vanzelf dat in landen met een gemiddeld hoge temperatuur de aantasting aanzienlijk groter is. In Italië kan bij het opslaan van populieren voor de schilindustrie in natte jaren door Pholiota en Stereum zeker 15% van het opgeslapen hout worden vernield. Voor populierenhout dat zich in contact met de grond bevindt, zijn de omstandigheden voor houtrot veel gunstiger dan voor hout op opslagplaatsen.

Maatregelen tegen schimmelaantasting
Men zal bepaalde maatregelen moeten nemen om geen schade tengevolge van houtaantasting op te lopen. Er zijn twee soorten maatregelen; ten eerst het snel drogen van het hout en zorgen dat het niet meer nat wordt en ten tweede het behandelen van het hout met schimmelwerende stoffen (fungiciden).
Het gebruiksdoel bepaalt welke methode de voorkeur verdient.
  • hout op opslagplaatsen van de papierindustrie
  • hout op opslagplaatsen van de schilindustrie
  • hout bestemd voor de spaanplaatindustrie
  • voorwerpen vervaardigd uit populierenhout
  • populierenhout in contact met de grond
Maatregelen voor hout op opslagplaatsen van de papierindustrie
Wanneer de populierenstammen na het vellen onmiddellijk worden ontschorst en daarna door een juiste stapeling in de open lucht snel worden gedroogd, zal men gedurende het eerste jaar van het opslaan weinig last van schimmelaantasting ondervinden. Indien het hout daarna vlug wordt verwerkt, zal toepassing van fungiciden niet nodig zijn. Pas wanneer het hout meerdere jaren opgeslapen zou moeten worden, bestaat de kans op een aantasting van ernstige aard en is toepassing van fungiciden te overwegen. Gaat men hiertoe over dan moet de behandeling zo vlug mogelijk na het vellen geschieden, omdat anders het effect gering is. Er komen verschillende middelen in aanmerking; ze mogen echter geen nadelige invloed hebben op de fabricage van pulp en papier. Wanneer het hout voor de papierindustrie wordt opgeslagen in de vorm van chips, geldt hetgeen voor de spaanplaatindustrie is vermeld (zie hieronder).

Maatregelen voor hout op opslagplaatsen van de schilindustrie
In de fineerindustrie ligt het probleem anders. Daar voor het schillen het hout nat moet zijn, kan het ontschorsen en snel drogen hier niet worden toegepast. Wanneer de stammen in de schors worden gelaten, is in de eerste tijd het vochtgehalte te hoog voor schimmelontwikkeling. Langzamerhand zullen de einden gaan uitdrogen en kunnen hier houtaantastende verblauwende schimmels in het hout gaan dringen. Bij een snelle verwerking behoeft men ook in dit geval dus geen fungiciden toe te passen. Wanneer echter de stammen meet dan een jaar worden opgeslagen, is een behandeling tegen schimmelaantasting wel aan te raden. Men dient dan onmiddellijk na het vellen de kopse vlakken met een schimmelwerende stof – eventueel gecombineerd met een stof die het uitdrogen vertraagt - te bestrijken of te bespuiten. In aanmerking komen onder andere in water op te lossen organische zouten zoals bijvoorbeeld natriumpentachloorfenolaat. Evenzo kunnen in organische vloeistoffen op te lossen producten zoals pentachloorfenol worden gebruikt om het hout te besproeien. De behandeling met de schimmelwerende stof moet zo snel mogelijk na het vellen geschieden, want als men te lang wacht, kunnen zich al schimmels hebben ontwikkeld en reeds zover in het hout zijn ingedrongen, dat ze door het schimmelwerende middel niet meer worden bereikt.

Maatregelen voorhout bestemd voor de spaanplatenindustrie
Naast het opslaan van de hele stam, wordt ook veel hout versnipperd en daarna in de vorm van chips opgeslagen. Het voorkomen van schimmels in de hopen van chips is erg moeilijk, te meer daar de temperatuur binnen in de hoop aanzienlijk kan oplopen en daardoor schimmelontwikkeling begunstigt. Nog steeds is de beste oplossing van dit probleem een snelle verwerking van de chips tot platen, waarbij de periode tussen het kappen van de boom en het verwerken niet langer dan circa drie maanden mag zijn. Daarnaast kan gedacht worden aan het besproeien van de chips met schimmelwerende stoffen.

Maatregelen voor voorwerpen vervaardigd uit populierenhout
Van populierenhout vervaardigde objecten die voortdurend droog blijven, zoals lucifers, emballage voor droog materiaal, zijn door hun lage vochtgehalte voldoende tegen schimmels beschermd. Bijzondere maatregelen zijn dus niet nodig.
Klompen zijn zodanig aan slijtage onderhevig, dat ze hierdoor sneller onbruikbaar worden dan door schimmelaantasting. Bijzondere bescherming heeft hier dus geen zin.
Anders is het gesteld met voorwerpen die dienen ter verpakking van vochtig materiaal, zoals fruit en groente. Vooral als zij uit fineer zijn vervaardigd, kan een betrekkelijk snelle verkleuring door ontwikkeling van blauwschimmels optreden. Ze komen dus voor een behandeling met een schimmelwerende stof in aanmerking. De keuze hiervan is dikwijls moeilijk en uiterst beperkt, daar het behandelde hout geen voor de mens giftige stoffen mag afgeven aan de levensmiddelen. Een geschikt middel is in dit opzicht borax, hoewel de verduurzamende werking daarvan niet erg groot is. Sommige van de in organische vloeistoffen op te lossen middelen zijn zo weinig oplosbaar in water, dat ze niet uit het er mee behandelde hout in bijvoorbeeld fruit zullen overgaan. Een mogelijkheid vormen ook enkele sterke fixerende zouten. Voorzichtigheid is evenwel geboden. De toepassing van populierenhout – van hout in het algemeen – voor deze doeleinden loopt echter sterk achteruit. In veel sectoren van de emballage-industrie nemen kunststoffen en karton steeds meer de plaats in van hout.

Maatregelen voor populierenhout in contact met de grond
Populierenhout wordt in het algemeen weinig voor doeleinden gebruikt waarbij het in contact met de grond komt, zoals bijvoorbeeld boerengeriefhout. In onbehandelde toestand verrot het zeer snel, terwijl anderzijds alleen een goedkope behandeling met verduurzamingmiddelen onder deze omstandigheden verantwoord is.
Het Houtinstituut TNO heeft een uitgebreid en langdurig onderzoek ingesteld bij paaltjes van een aantal houtsoorten, waaronder populieren, die met een tiental middelen waren behandeld. Deze proef heeft circa 22 jaar geduurd. Tabel 5 geeft de gemiddelde levensduur aan van verduurzaamde populierenpaaltjes.

Tabel 5

Levensduur van behandelde populierenpaaltjes

Middel

Methode

Levensduur in jaren

creosootolie

carbolineum

5% pentachloorfenol

5% kopersulfaat

0,7% sublimaat

5% zinkchloride

3% thanalith

2,5% bolidenzout

onbehandeld

druk en rijping

bestrijken

druk

onderdompeling

onderdompeling

onderdompeling

druk en onderdompeling

druk

-

meer dan 22

5

meer dan 22

6

11

7

4

7

3


De onbehandelde paaltjes waren na drie jaar reeds allemaal verrot. De levensduur werd niet veel verlengd door behandeling met verschillende middelen (zouten, zoutcombinaties, carbolineum). Alleen door een impregnering onder druk met creosootolie en pentachloorfenol werd een grote verlenging van de levensduur bereikt.

LCA

Op www.ademe.fr/actualité is een synthese rapport (82 blz) beschikbaar van een LCA van populierenhouten kistjes in vergelijking met kistjes van golfkarton en plastic voor de verpakking van appels (alleen beschikbaar in Frans).

RELATIE DOOD STAANDE BOMEN MET DE HOUTKWALITEIT VOOR POPULIER
Ir. Lieven De Boever, Labo voor houttechnologie – Universiteit Gent

Bij het afsterven van populieren, zij het door ziekte of gewild door ringen, zal de centrale waterkolom verdwijnen. Deze natte kern is typisch voor boomsoorten die het zogenaamde ‘wetwood’ vormen zoals populier en wilg. Dit wetwood vormt een centrale zuil in stand gehouden door bacteriën. Het hoge vochtgehalte weerhoudt aantastingen. Wanneer deze kolom verdwijnt kan lucht (met name zuurstof) binnen geraken en zal tevens uitdroging optreden. Beide factoren maken het hout gevoelig voor schimmel- en insectenaantastingen. Dit heeft een vermindering van de houtkwaliteit tot gevolg.
De waardevermindering blijft minimaal wanneer het afstervingsproces pas enkele weken oud is. Het vochtgehalte is nog behoorlijk hoog en het aantastingsrisico blijft beperkt tot blauwschimmels die wel een esthetische degradatie betekenen.
Na meer dan 4 weken kan verdere uitdroging tot beneden vezelverzadigingspunt (meestal 30% vochtgehalte) optreden en bestaat risico voor aantasting door houtrot (bruin- of witrotters) en insecten, wat structurele schade toebrengt (sterkteverlies). Bij nog langere periodes (vanaf een jaar) van op stam houden van dode bomen bestaat het gevaar dat de stammen voor houtgebruik (ander dan brandhout) ongeschikt zijn.
Algemeen geeft de onderstaande tabel de invloeden weer van het op stam houden van dode bomen in functie van hun mogelijke toepassing. Algemeen kan gesteld worden dat de eerste drie categorieën van verwerkers dode bomen weigeren.

 

Periode

Toepassing

< 4 weken

>4 weken

> 1 jaar

Fineer

Indien blauwschimmel aanwezig à reeds nefast voor dekfineren

Bij sterke uitdroging is fineren niet meer mogelijk. Te veel scheurvorming.

Niet mogelijk

Zaaghout  verpakking

Indien blauwschimmel aanwezig à reeds nefast voor verpakking

De uitdroging heeft een hogere energiekost tot gevolg bij het verzagen

Te grote aantasting gaat gepaard met sterkteverlies à nefast voor zaaghout

Niet mogelijk

Pulp en papier

Kan gebruikt worden*

Te laag rendement door daling cellulosegehalte bij aantasting

Niet mogelijk

Plaatmaterialen

Kan gebruikt worden

Lage prijzen

Kan gebruikt worden

Lage prijzen

Kan, maar niet gewenst

Zeer lage prijzen

Brandhout

Kan gebruikt worden

Kan gebruikt worden

Kan gebruikt worden

Reeds verminderde calorische waarde

*: Hoewel sommige bedrijven in hun kwaliteitseisen duidelijk vermelden dode bomen te weigeren.

5 Vezelplaat en geretificeerd hout (Linda Meiresonne, IBW)

Populier is een lichte houtsoort, maar toch relatief sterk. Het hout heeft een lichte kleur en is gemakkelijk te verwerken. Het geeft ook geen kleur-, smaak of geurstoffen af. Daarom is geschild populierenhout heel geschikt als verpakkingsmateriaal voor levensmiddelen. Lagen van geschild populierenhout kunnen ook op elkaar gekleefd worden om multiplexplaten te maken. Van zaaghout worden paletten gemaakt. De populierenvezel kan ook verwerkt worden tot papier en dit met minder energieverbruik en chemische middelen, dan bij gebruik van naaldhout. Verder zijn populierenspaanders geschikt voor de vervaardiging van plaatmateriaal. Hiertoe worden de spaanders vermengd met lijm en tot platen geperst. Populierenhout is echter niet erg duurzaam: er moeten chemische stoffen aan toegevoegd worden (impregneren) voor buitentoepassingen.

Populierenhout kan wel verwerkt worden tot hoogwaardige producten, zoals vezelplaat en geretificeerd houtâ, zonder daartoe enig chemisch additief te gebruiken in het productieproces. Hierbij is de milieuwinst dubbel, aangezien zowel bij de productie als bij de recyclage of uiteindelijke verwerking, geen omgevingsbelastende middelen gebruikt worden of vrijkomen in het milieu.

Vezelplaat
Vezelplaat is een product dat reeds in de jaren twintig van vorige eeuw ontwikkeld is. Het bestaat onder de vorm van zachtbord of hardbord.
In Geraardsbergen (België) is de belangrijkste producent van zachtbord gevestigd. Jaarlijks wordt er 60.000 m³ geproduceerd, waarvan 90 % voor export. De Franse partner produceert 100.000 ton hardboard.
De productie van vezelplaten is gebaseerd op een bijzondere eigenschap van houtvezels, namelijk dat ze een natuurlijke lijm bevatten. De platen kunnen dus gemaakt worden zonder lijm toe te voegen, door inwerking van water, energie en druk. Populierenvezel is hiervoor het best geschikt, maar bijmenging van kleine hoeveelheden van andere boomsoorten vormt geen probleem. Er wordt vooral hout uit de boomkruinen gebruikt.
Het procédé start met het verhakselen van het hout tot houtspaanders. Dit gebeurt in een hakselaar die stamstukken tot een diameter van 50 cm kan verwerken. Daarna worden de spaanders ontvezeld: ze worden met stoom onder druk week gemaakt en dan in de ontvezelmachine met koud water vermaald tot een vezelbrij (vandaar de naam ‘nat procédé’). De brij wordt naar de vormingsmachine gepompt. Dit is een 25 m lange zeefplaat, waarop de vezelmat gevormd wordt. Door te walsen tot op de gewenste dikte en door een lichte onderdruk draineert het water uit de mat. De mat wordt dan versneden en in de volgende productiestap gebeurt de eigenlijke ‘verlijming’ van de vezels: het persen voor hardboard of het drogen voor zachtboard. Hardboard wordt gevormd in een zware pers met hete platen. De plaat bevat meer dan 99.9 % hout. Voor zachtboard wordt de vezelmat, die dan nog 65 % water bevat, in een grote meerlagige droger geschoven en gedurende 1 à 3 uren bij een temperatuur van 160 ° C gedroogd. Het resultaat is een luchtige plaat met een dikte van 3 tot 25 mm en een volumegewicht van 220 à 320 kg/m³. Voor bijzondere toepassingen kunnen nog luchtiger platen gemaakt worden. Bijvoorbeeld vezelmatten als substraat voor de tomatenteelt met een densiteit van 165 kg per m³. Na het drogen worden de vezelplaten versneden tot een handige afmeting en verpakt in pakketjes voor onder andere de doe-het-zelfzaak. Zachtboard wordt gebruikt voor prikborden maar ook als isolatiemateriaal en als onderlaag onder parket. Het kan ook gebruikt worden voor het transport van glas en om aanmaakblokjes te maken.
De fabriek te Geraardsbergen heeft 3 productielijnen en werkt heel milieuvriendelijk. Al het gebruikte water wordt ter plaatse gezuiverd en gerecycleerd. Het slib uit het zuiveringsproces wordt opnieuw in het productieproces gebracht. Bij de productie wordt geen enkel chemische product gebruikt, behalve wat groene kleurstof. Vreemd genoeg denken bepaalde consumenten dat groene houtplaten duurzamer zijn dan ongekleurde.

De vezelplaat komt tot stand op de vormingsmachine (foto IBW)

Geretificeerd hout ®
Retificatie® is een nieuwe techniek, die bepaalde houtsoorten even duurzaam kan maken als tropisch hardhout. De term “geretificeerd®” is een nieuw woord (neologisme), ontstaan door samentrekking van “reticulatie” (herschikking van bepaalde moleculaire verbindingen onder invloed van warmte) en van het Franse woord “torréfaction”, dat branden betekent. Het merk “Geretificeerd Hout” is gedeponeerd. In Nederland wordt het woord gemodificeerd of thermisch gemodificeerd gebruikt.
Bij retificatie® wordt het hout verwarmd tot 200 à 280 ° C gedurende 8 à 12 uren, in een afgesloten omgeving en in afwezigheid van zuurstof om verbranding te voorkomen (pyrolyse). Het resultaat is dat het hout waterafstotend wordt en daardoor niet meer aan bederf onderhevig is. Het is even duurzaam geworden als geïmpregneerd hout. Bovendien is het hout harder en is de dimensionale stabiliteit verhoogd: het hout ‘werkt’ niet meer zoveel. Het wordt wel iets bruiner, wat niet steeds een nadeel hoeft te zijn. Dit proces verhoogt de mogelijkheden voor buitenschrijnwerk van heel wat houtsoorten, zoals populier, berk, vuren en grenen. Het is ideaal voor de constructie van tuinmeubelen, keukenaanrechten, afrasteringen, terrastegels, ramen, tuinhuisjes, geluidsschermen en gevelbekleding. Het kan verwerkt worden in multiplex en spaanderplaten. Ook biedt het mogelijkheden voor de productie van composietmaterialen met harsen, waarbij profielen kunnen geperst worden voor bijvoorbeeld ramen of onderdelen voor de automobielindustrie. Aangezien geretificeerd hout® olie aantrekt (oleofiel), kan het ingezet worden bij het opkuisen van olievlekken.
Hout retificeren is duurder dan impregneren, maar de verwerking van chemisch behandeld hout heeft een hoge milieukost. Door retificatie wordt er ook minder tropisch hout gebruikt. Retificeren past dus in een ecologisch en duurzaam perspectief en biedt nieuwe toekomstmogelijkheden voor de houtindustrie, in het bijzonder bij de verwerking van populierenhout.